AFM: meten risicobereidheid kan beter

Het is al jarenlang het middel om de belegger in spe te testen: een proef die meet hoeveel risico hij wil nemen. Maar de vragenlijsten die veel vermogensbeheerders en pensioenfondsen hier nu voor gebruiken, zijn vaak niet goed. Financiële instellingen kunnen beter een heel andere methode gebruiken, stellen onderzoekers van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) donderdag in economenvakblad ESB.

Banken, vermogensbeheerders en pensioenfondsen zijn al jaren wettelijk verplicht een risicoprofiel op te stellen van een nieuwe klant. Ze meten de ervaring met en kennis over beleggen, hun financiële positie en doelstellingen. Daarnaast meten ze de mate waarin klanten risico willen lopen bij het beleggen van hun geld. Bedrijven gebruiken voor dat laatste punt vaak tests die ‘veelal’ niet wetenschappelijk onderbouwd zijn, stellen de onderzoekers. ‘Een voorbeeld hiervan is een vraag die informeert naar slaapproblemen bij negatieve koersdalingen’, schrijven Gust van der Meeren, Hannie de Cloe-Vos en Alexandra van Geen in ESB. Zo’n vraag heeft niets te maken met de mate waarin een toekomstige klant risico’s wil lopen. Het leidt volgens hen tot ‘testen die het niveau van een Cosmopolitan-quiz benaderen en niet meten wat ze behoren te meten’.

‘Vooral door banken die een beleggingsprofiel moeten vaststellen wordt, met alle respect, wat gefröbeld’, zegt consultant Peter Zegwaart. Hij meet de risicobereidheid van deelnemers van pensioenfondsen. ‘Er zijn ook pensioenfondsen waar bestuursleden even met deelnemers praten en dat is het dan. Dat is niet de wijze waarop je een goed beeld krijgt.’

Wat werkt dan wel?
De AFM-onderzoekers gaan in de publicatie op zoek naar methoden die wél werken. Wetenschappelijke meetwijzen om een risicohouding van iemand te meten zijn er genoeg, maar voor het peilen van risicobereidheid bij consumenten is niet elke methode even geschikt. Volgens de onderzoekers moeten die testjes in ieder geval snel en gemakkelijk zijn af te nemen en moeten irrationele effecten zo veel mogelijk worden beperkt.

Een derde eis is dat de test een een passende context heeft, omdat niet elke proef even goed bij elke situatie past. ‘Iemand kan bijvoorbeeld risico-avers zijn wanneer het gaat om financiële zaken, en tegelijkertijd risicozoekend in een sociale of gezondheidscontext’, schrijven de onderzoekers in het economenvakblad.

Verder speelt ook de meetbaarheid een grote rol. Volgens de onderzoekers zijn zogeheten kwantitatieve methoden beter bruikbaar dan kwalitatieve methoden, omdat deze een score opleveren die eenvoudig te interpreteren is. Tot slot moet een geschikte methode ook inconsistente antwoorden meten. Dan wordt duidelijk of mensen de test begrijpen.

Twee methoden werken goed
Uiteindelijk zijn er volgens de onderzoekers slechts twee methoden die voldoen aan al die eisen. Bij de zogeheten HL-methode krijgen beleggers steeds twee opties voorgeschoteld, waarbij het risico en de opbrengst constant verschillen. De verwachte opbrengst van de meest risicovolle optie wordt steeds aantrekkelijker. Het moment waarop mensen overstappen naar deze optie is cruciaal. Op basis daarvan is het mogelijk de risicobereidheid uit te drukken in een makkelijk te interpreteren score.

Ook de zogeheten CS-methode is volgens de onderzoekers geschikt. Daarbij krijgen testers per ronde steeds twee scenario’s voorgelegd. Welke opties dat zijn, hangt af van het antwoord dat ze in de vorige ronde gaven. Zo wordt vanzelf duidelijk hoever beleggers willen gaan in het nemen van risico’s.

‘Kwantitatieve meting niet genoeg’
‘Het is keurig wat zij aanraden’, zegt consultant Zegwaart in reactie op het onderzoek. Hij laat weten gebruik te maken van vergelijkbare methoden. ‘Maar ik vind dat je niet kunt volstaan met alleen een kwantitatieve meting. Je moet wel weten waarom bijvoorbeeld pensioendeelnemers een risico-averse houding hebben. Daar kom je achter door met pensioendeelnemers om tafel te zitten.’

De onderzoekers benadrukken in een schriftelijke reactie dat er ‘niet één optimale test is’ en dat het onderzoek banken, pensioenfondsen en beleggingsadviseurs vooral moet ‘inspireren’.

Veel meer kan de toezichthouder ook niet doen, want bedrijven blijven grotendeels vrij in de manier waarop ze risicobereidheid meten. Zij moeten alleen aan de toezichthouder verantwoorden waarom ze voor een bepaalde test kiezen, maar de AFM kan hen naar eigen zeggen niet dwingen ‘om een bepaald soort test verplicht te stellen’.

Bron: FD dd 1 maart 2019