Snelle aanpassing VRH gewenst door NOB

De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) zit staatssecretaris Menno Snel van Financiën achter de broek. Snel moet de vermogensrendementsheffing al in 2020 aanpassen. Het oordeel van Hoge Raad dat de omstreden spaartaks strijdig is met het Europees recht, noopt daartoe, menen de adviseurs.

Snel heeft aangekondigd dat het kabinet op Prinsjesdag een aantal ‘oplossingsrichtingen’ zal presenteren voor de rendementsheffing in box 3 van de inkomstenbelasting. Dit zal in 2020 echter niet meer tot veranderingen leiden, aldus de D66-bewindsman. De beroepsvereniging van academisch opgeleide fiscalisten vindt snelle aanpassingen wel noodzakelijk.

Zware last
De vermogensrendementsheffing is een belasting op basis van een verondersteld rendement op het vermogen van spaarders. De Hoge Raad oordeelde vorige maand dat de overheid in 2013 en 2014 uitging van een te hoog fictief rendement, namelijk 4%. Volgens de hoogste belastingrechter kan dit rendement niet gehaald worden door iemand die weinig risico’s wenst te nemen met zijn vermogen. Daarmee is de heffing in beginsel strijdig met het Europees eigendomsrecht, aldus de Hoge Raad, ten minste in 2013 en 2014.

Rechtherstel laat te lang op
zich wachten als er volgend jaar nog niets verandert, aldus de NOB
Of een forfaitair rendement van 4% tot een ‘buitensporig zware last’ leidt, dient volgens de raadsheren per belastingbetaler te worden beoordeeld. De Raad acht het een taak van regering en parlement om de heffing op stelselniveau in lijn te brengen met het Europees recht.

Onmogelijke opgave
Dit rechtherstel laat te lang op zich wachten als er volgend jaar nog niets verandert, aldus de NOB. Bij niets doen zadelt het kabinet de Belastingdienst en de rechtbanken op met een onmogelijke opgave, waarschuwt de Orde, namelijk uitspraak doen over alle individuele bezwaarschriften van belastingplichtigen die na het arrest van de Hoge Raad menen recht te hebben op belastingvermindering.

In een notitie doet de NOB de staatssecretaris drie alternatieven aan de hand om op korte termijn rechtsherstel te bieden aan voorzichtige spaarders — door de buitengewoon lage rentes betalen die meer belasting dan hun veilig weggezette vermogen op dit moment opbrengt. Op langere termijn wordt de vermogensheffing hervormd in samenhang met een integrale herziening van de inkomstenbelasting, als het aan de Orde ligt.

€30.360
Een van de suggesties, zij het niet de favoriete van de NOB, is om het vermogen waarover geen belasting is verschuldigd te verhogen, op dit moment €30.360.

Heffingsvrije vermogen
Het kabinet kan eenvoudig en gemakkelijk gehoor geven aan het arrest van de Hoge Raad door het vermogen waarover geen belasting is verschuldigd te verhogen. In 2019 bedraagt het heffingsvrije vermogen €30.360. Deze oplossing heeft echter niet de voorkeur van de NOB, omdat een forse verhoging nodig is om belastingplichtigen met grotere spaartegoeden uit de wind te houden.

Het tweede alternatief behelst dat spaargeld anders wordt belast dan de rest van iemands vermogen. Hierbij moeten belastingplichtigen aantonen welk deel van hun vermogen spaargeld is en hoeveel dit heeft opgeleverd. De fiscus belast vervolgens het werkelijk behaalde rendement op het spaartegoed in plaats van een forfaitaire opbrengst.

Ruwe maatregel
In het derde alternatief belast de fiscus eveneens het werkelijk behaalde rendement op spaargeld. Het forfaitair rendement blijft van kracht voor de rest van het vermogen. In dit scenario hoeven belastingbetalers niet zelf te bewijzen dat zij spaargeld hebben. Bankgegevens over de rendementen belanden vanzelf bij de Belastingdienst.

Het risico dat belastingplichtigen vermogen op een peildatum even op een spaarrekening zetten om belasting te ontwijken, moet volgens de Orde niet worden overschat. Daar zitten namelijk ook kosten aan. Als ruwe maatregel tegen arbitrage kunnen grote afwijkingen in het spaartegoed ten opzichte van het voorafgaande jaar, buiten de belasting van het werkelijke rendement worden gehouden.

Bron: FD d.d. 10 juli 2019