Verlaging VpB in 2021 nog onzeker

Het is nog allerminst zeker dat het kabinet de winstbelasting in 2021 verlaagt. Vorige week lekte uit dat de verlaging in 2020 niet doorgaat. Op Prinsjesdag staat voor 2021 nog wel een verlaging van 25% naar 21,7% in de boeken. Maar het kabinet verbindt hieraan de voorwaarde dat hogere bedrijfswinsten ook tot hogere lonen leiden.

Coalitiebronnen in Den Haag melden dat tariefsverlaging in 2021 geen vanzelfsprekendheid is. Vorige week kwam naar buiten dat het kabinet-Rutte III voor volgend jaar afziet van de verlaging van de vennootschapsbelasting (vpb) voor winsten boven de €200.000. In het regeerakkoord stond dat die in 2020 van 25% naar 22,55% zou gaan. Verleden week lekte ook uit dat het hoge vpb-tarief in 2021 niet teruggaat naar 20,5%, zoals eerder beloofd, maar naar 21,7%.

Op losse schroeven
Maar ook die laatste verlaging is niet in steen gehouwen, aldus Haagse ingewijden. Het kabinet wil dat stijgende winsten deels bij werknemers terechtkomen. Als de lonen niet of te weinig stijgen, staat ook de verlaging van de winstbelasting in 2021 op losse schroeven.

Het kabinet zet de belastingverlaging over de eerste twee ton winst wel gewoon door. Het lage tarief gaat volgens plan in 2020 van 19% naar 16,5% en in 2021 verder omlaag naar 15%.

Lastenverlichting
Het achterwege laten van de vpb-verlaging in 2020 levert de schatkist ongeveer €1 mrd op. Rutte III wil dit geld gebruiken voor lastenverlichting voor mensen met een laag inkomen of een middeninkomen. In het jaar voor de algemene verkiezingen in maart 2021 trekt het kabinet hier in totaal €3 mrd voor uit.

De temporisering en de beperking van de vpb-verlaging komen niet helemaal uit de lucht vallen. Minister-president Mark Rutte waarschuwde in juni op een partijbijeenkomst van de VVD dat de vpb minder omlaag zou gaan als werkgevers niet snel de lonen zouden verhogen. Rutte leek vooral het grootbedrijf op het oog te hebben toen hij zei dat de winsten bij de bedrijven tegen de plinten klotsen. Het middenbedrijf wordt echter ook geraakt door het uitblijven van de belastingverlaging.

Belastingontwijking
Uitstel van de belastingverlaging betekent dat het kabinet terugkomt van een toezegging uit het regeerakkoord van 2017. Hierin stelden de coalitiepartijen VVD, CDA, D66 en ChristenUnie geen voorwaarden aan de lagere vpb-tarieven. Volgens het akkoord zouden bedrijven met een lagere vpb gemakkelijker eigen vermogen in het buitenland kunnen aantrekken en zouden zij minder kwetsbaar zijn voor vijandige overnames. Ten slotte zou het bedrijfsleven zelf opdraaien voor de tariefsverlaging, aldus de regeringspartijen, omdat het kabinet de grondslag voor de winstbelasting zou verbreden.

Daartoe heeft het kabinet in 2018 het vpb-tarief in de innovatiebox verhoogd, van 5% naar 7%. De grondslag wordt verder verbreed als gevolg van maatregelen tegen belastingontwijking. Zo is met ingang van dit jaar de renteaftrek in de vpb beperkt.

Verbazing in bedrijfsleven
De linkse oppositie in de Tweede Kamer vindt dat bedrijven met de vpb-verlaging worden gecompenseerd voor belasting die zij altijd al moesten betalen maar tot voor kort ontweken. De VVD heeft deze redenering steeds tegengesproken en steeds verlangd dat de opbrengsten van de grondslagverbreding moesten terugvloeien naar het bedrijfsleven. Dat verklaart de verbazing in het bedrijfsleven over het ophouden en deels terugdraaien van de vpb-verlaging door een kabinet onder leiding van een VVD’er.

 

Bron: FD 29 augustus 2019